• nl
  • en
Menu
Meer terughoudendheid bij conservatoir beslag?

Meer terughoudendheid bij conservatoir beslag?

2 maart 2018

Voorafgaand aan een procedure kan door een schuldeiser conservatoir beslag worden gelegd op bezittingen van de schuldenaar. Met het leggen van conservatoir beslag wordt voorkomen dat de schuldenaar zijn bezittingen vervreemdt voordat de rechter uitspraak heeft gedaan in de procedure. Op deze manier wordt zoveel als mogelijk verhaal op deze bezittingen veilig gesteld.

In vergelijking met andere landen verleent de Nederlandse voorzieningenrechter tamelijk eenvoudig verlof voor het leggen van conservatoir beslag. Bij de beoordeling van het verzoekschrift toetst de voorzieningenrechter, kort gezegd, of de deugdelijkheid van het door de verzoeker ingeroepen recht summierlijk blijkt. De wetgever heeft hiermee bedoeld dat de voorzieningenrechter in de regel op de mededelingen van de verzoeker en de door deze overhandigde stukken mag afgaan. Er vindt door de voorzieningenrechter vooraf dus geen uitgebreide inhoudelijke toetsing van het vorderingsrecht plaats. De schuldenaar die van oordeel is dat ten onrechte op zijn bezittingen beslag is gelegd, dient – zo volgt uit het systeem van de wet – in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. In dit zogenaamde opheffingskortgeding zal de schuldenaar aannemelijk hebben te maken dat de vordering waarvoor beslag is gelegd summierlijk ondeugdelijk is.

Uit een beschikking van 7 februari 2018 blijkt echter dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland een kritischere voorafgaande toetsing van het beslagrekest voorstaat: De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van het verzoekschrift als uitgangspunt dat er bij het verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag meer dan voorheen terughoudendheid dient te worden betracht. Die terughoudendheid wordt ingegeven door toenemende kritiek in de vakliteratuur op de wijze van verlofverlening in Nederland, zeker indien die wordt vergeleken met de wijze van verlofverlening in de ons omringende landen.

Eén van de aspecten die de voorzieningenrechter strenger toetst, is het vorderingsrecht van verzoekers. De vordering waarvoor de verzoekers conservatoir beslag wilden leggen, had betrekking op een boete in verband met het (al dan niet op juiste wijze) inroepen van een financieringsvoorbehoud uit een koopovereenkomst van een woning. Het ging daarbij om de vraag of het inroepen van het financieringsvoorbehoud voldoende was gedocumenteerd met afwijzingen van twee bankinstellingen. Op basis van de in het beslagrekest gepresenteerde feiten kan (inderdaad) getwijfeld worden aan de gegrondheid van de vordering, maar de vordering is zo op voorhand bezien ook weer niet zonder kans. Gezien het systeem van de wet zou het dan ook niet onlogisch zijn geweest als de voorzieningenrechter had geoordeeld dat er sprake was van een summierlijk deugdelijke vordering en de verdere inhoudelijke toetsing had overgelaten aan de rechter in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter kiest er echter voor op deze inhoudelijke beoordeling vooruit te lopen en oordeelt:Het betreft hier uiteraard geen beoordeling ten gronde, maar dat het hier om een keiharde vordering van verzoekers gaat, kan niet gezegd worden.

De voorzieningenrechter toetst ook andere aspecten van het beslagrekest (waaronder de onderbouwing van de noodzaak van het beslag en de vrees voor verduistering) kritisch en komt op basis daarvan tot een afwijzing van het verzoek tot conservatoire beslaglegging.

Het is afwachten of deze oproep tot kritischere voorafgaande toetsing van beslagrekesten navolging zal krijgen.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Jeroen van der Pouw Kraan, verbonden aan de praktijkgroepen Ondernemingsrecht en Insolventierecht.

Bron: Voorzieningenrechter rechtbank Noord-Holland, 7 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:910.

Wilt u op de hoogte blijven?

  • nl
  • en