• nl
  • en
Menu
Sluiting van een drugspand: vaak noodzakelijk, maar niet altijd evenredig

Sluiting van een drugspand: vaak noodzakelijk, maar niet altijd evenredig

4 september 2019

De opsporing van drugscriminaliteit staat volop in de belangstelling. Iemand met een belangrijke rol daarin is de burgemeester van een gemeente. Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is hij bevoegd om een pand waarin drugs wordt gevonden te sluiten. Daarvoor kan de burgemeester een zogenaamde last onder bestuursdwang opleggen. Dat is een ingrijpende maatregel: het pand wordt gesloten en verzegeld. In dit artikel wordt aan de hand van een recente overzichtsuitspraak van de Raad van State uitgelegd welke afweging een burgemeester moet maken. Een sluiting heeft namelijk ingrijpende gevolgen voor de bewoner, gebruiker of eigenaar van een pand. Er moeten goede redenen zijn om over te gaan tot een dergelijke inbreuk op iemands privéleven. In de praktijk wordt meestal gewerkt met vast handhavingsbeleid. Wordt drugs in een woning aangetroffen, dan leidt dat bijvoorbeeld tot sluiting van een pand voor een van tevoren vastgestelde standaardperiode, zonder verdere belangenafweging. De Raad van State zet daar nu een rem op.

Casus: bijzondere omstandigheden?

In de zaak die bij de Raad van State speelde, ging het om het volgende. In een woning in Maastricht heeft de politie een flinke hoeveelheid MDMA aangetroffen, waaronder circa 50 pillen. De burgemeester van Maastricht besloot daarom de woning voor zes maanden te sluiten. De bewoonster maakte daar bezwaar tegen. Zij huurt de woning en woont daar samen met haar minderjarige dochter. Haar dochter heeft ernstige allergieproblemen. Daarop is de woning volledig aangepast. Een sluiting zou daarom ingrijpende gevolgen voor hen hebben. De voorzieningenrechter van de rechtbank gaf de bewoonster gelijk: sluiting van de woning ging te ver. De burgemeester van Maastricht ging in hoger beroep. De Raad van State moest beslissen of sluiting in dit geval daarom wel op zijn plaats was.

Wettelijk kader: beleidsregels

De bevoegdheid tot sluiting is zoals gezegd neergelegd in artikel 13b Opiumwet. De burgemeester is verantwoordelijk voor de veiligheid van een gemeente en voor de bestrijding van criminaliteit. Het sluiten van een drugspand kan een effectief middel zijn om de handel in drugs te verstoren. Vandaar dat over het algemeen snel tot sluiting wordt overgegaan. Gemeentes hebben in de regel beleid opgesteld over de sluiting van panden bij drugsoverlast. Daarin is opgenomen in welke gevallen de burgemeester tot sluiting van een pand overgaat. De regels kunnen per gemeente verschillen, maar zijn in de praktijk tamelijk uniform. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de gemeente in principe verplicht om het eigen beleid te volgen. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat naleving onevenredig zou zijn, kan daarvan worden afgeweken.

Bij woningsluiting is van belang dat het recht op een ongestoord privéleven grondwettelijk is gewaarborgd, onder meer in artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM. In geval er minderjarige kinderen in het spel zijn, moet daarnaast rekening worden gehouden met verdragsrechtelijk beschermde kinderrechten.

Toetsingskader handhaving sluitingsbeleid: noodzakelijkheid en evenredigheid

Als de burgemeester een besluit moet nemen over de sluiting van een pand, moet worden getoetst aan twee beginselen, noodzakelijkheid en evenredigheid. De noodzaak van sluiting wordt in de regel beschreven en onderbouwd in de gemeentelijke beleidsregels. De evenredigheid van de sluiting wordt beoordeeld op basis van een afweging van de belangen die in het specifieke geval een rol spelen, waaronder het belang van de bewoner maar ook het belang van de gemeente bij het voorkomen van aan drugs gerelateerde overlast.

Noodzakelijkheid

Om te bepalen of sluiting van een woning op grond van de Opiumwet noodzakelijk is, wordt ten eerste gekeken naar de ernst en omvang van de overtreding. De meeste gemeenten vinden een overtreding ernstig, als een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen. Daarvan is sprake bij meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs. Als deze hoeveelheid slechts heel beperkt wordt overschreden, kan de beperkte omvang reden zijn om te volstaan met een waarschuwing in plaats van sluiting. Bij de totstandkoming van de Opiumwet is aangegeven dat bij een eerste overtreding kan worden volstaan met een waarschuwing, maar dat dit in ernstige gevallen anders kan zijn. De aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs wordt in de regel gezien als ernstig geval en dus reden voor sluiting. De noodzaak voor sluiting is verder ook groter als sprake is van herhaling (recidive) van overtredingen of als de woning op een voor drugshandel kwetsbare locatie staat.

Naast de ernst en omvang van de overtreding is ook van belang of sprake is van feitelijke handel in de woning. Is dat het geval, dan is de woning ‘onderdeel van het drugscircuit’. Sluiting heeft dan (mede) tot doel om de ‘loop’ naar de woning eruit te halen en het pand op die manier aan het drugscircuit te onttrekken.

De genoemde elementen lopen in elkaar over. Als de politie een handelshoeveelheid drugs aantreft, wordt aangenomen dat ook sprake zal zijn van feitelijke handel in de woning. Dat hoeft niet apart aangetoond te worden. Dat kán echter wel, bijvoorbeeld door politiewaarnemingen, verklaringen van getuigen of het vinden van drugsattributen. Denk aan een weegschaal, verpakkingsmaterialen en contant geld. In de praktijk is het daarom vaak aan de belanghebbende om aan te tonen dat de er géén feitelijke handel plaatsvindt, zodat sluiting niet nodig is. Ook als de belanghebbende dat bewijs levert, is het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in de regel echter al voldoende om sluiting van het pand (toch) te rechtvaardigen.

Evenredigheid

Op grond van de eerste toets (noodzakelijkheid) kan de conclusie zijn dat sluiting van een pand noodzakelijk wordt geacht. Dan moet vervolgens worden gekeken of er omstandigheden zijn die maken dat sluiting toch niet evenredig is ten opzichte van het doel van sluiting. Daarvoor moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. De Raad van State heeft in zijn uitspraak aangegeven welke omstandigheden daarbij van belang kunnen zijn.

Ten eerste moet gekeken worden of de betrokken bewoner persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Daarbij gaat het er niet zozeer om of de bewoner bij de handel betrokken is of vervolgd wordt voor drugscriminaliteit. Het betreft de betrokkenheid van de persoon bij de aanwezigheid van de drugs in de woning, de relatie tussen de bewoner en de aangetroffen drugs. Als iedere betrokkenheid ontbreekt, kan dat een argument zijn voor de conclusie dat sluiting niet op zijn plaats is. Denk aan het geval dat iemand niet op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs en daarvan in redelijkheid ook niet op de hoogte kon zijn. Dit kan het geval zijn voor een verhuurder. De verhuurder kan geconfronteerd worden met de sluiting van diens pand, zonder te weten dat de huurder zich schuldig maakt aan drugshandel. Wil de verhuurder zich beroepen op een gebrek aan wetenschap, dan moet wel concreet toezicht zijn gehouden en moeten ook duidelijke afspraken zijn gemaakt over het gebruik van het pand en het houden van toezicht door de verhuurder. Niet voldoende is om alleen maar afspraken te maken, zonder dat de verhuurder toezicht houdt. De verhuurder moet ook controles uitvoeren op het gebruik van het pand.

Ten tweede kunnen de gevolgen die de sluiting zal hebben, onevenredig zijn. Dat iemand zijn woning moet verlaten door sluiting na een drugsvondst, is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Maar in individuele gevallen kan sluiting van een woning een te ingrijpend middel zijn. Zoals wanneer sprake is van een bijzondere binding met de woning, bijvoorbeeld door medische redenen. Daarbij is ook van belang of iemand in staat is om geschikte vervangende woonruimte te regelen. Als iemand bijvoorbeeld mindervalide is, kan het vinden van een geschikt alternatief moeilijker zijn. De gevolgen kunnen ook ingrijpender zijn als woningsluiting leidt tot beëindiging van het huurcontract door de verhuurder, of plaatsing van de bewoner op een zwarte lijst waardoor die niet snel aan een nieuwe (huur)woning komt. Daar staat tegenover dat de bewoner, in geval van betrokkenheid bij de aanwezigheid van drugs, de (bekende) gevolgen daarvan blijkbaar op de koop toe wil nemen en dus in principe zelf moet opdraaien voor de consequenties.

Ten slotte kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen ook van belang zijn in de afweging. Op zichzelf is die aanwezigheid geen reden om van sluiting af te zien. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die in de weg staan aan woningsluiting. De rechten van kinderen zijn in internationale verdragen gewaarborgd. Komen die rechten in het gedrang, dan kan het zijn dat moet worden afgezien van woningsluiting. Daarom moet de burgemeester, als hij woningsluiting overweegt, vooraf nagaan of het mogelijk is vervangende woonruimte of geschikte opvang te vinden indien er kinderen bij betrokken zijn.

Toetsingskader toegepast: sluiting in dit geval onevenredig

Alle hiervoor genoemde zaken moeten volgens de Raad van State worden meegewogen in het besluit van de burgemeester. In de casus uit Maastricht is de Raad van State het niet eens met de burgemeester dat woningsluiting op zijn plaats is. Hoewel sluiting gelet op de aangetroffen handelshoeveelheid harddrugs noodzakelijk zou kunnen zijn, is het in dit geval niet evenredig. Dat baseert de Raad van State op twee factoren. Ten eerste het ontbreken van betrokkenheid van de bewoonster bij de drugshandel. Degene die betrokken was bij de drugshandel, is de ex-partner van de vrouw, die de drugs bovendien niet in de woning, maar via internet en per post verhandelde. Ten tweede, als belangrijkste, vindt de Raad van State de medische situatie van de dochter van belang. Door haar ernstige allergieën is zij gebonden aan de speciaal voor haar aangepaste woning. Dat is (onder andere financieel) niet makkelijk elders te realiseren. De burgemeester krijgt in hoger beroep daarom ongelijk en de woning blijft open.

Samenvatting

Bij het opleggen van een sluiting wegens aangetroffen drugs spelen tegenstrijdige belangen een rol. Vanuit het belang van de handhaving en aanpak van criminaliteit wordt sluiting al spoedig noodzakelijk geacht. Met deze uitspraak van de Raad van State krijgen gemeenten echter meer huiswerk dan voorheen, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn. In de praktijk is het vooral aan de getroffen bewoner om (bijzondere) omstandigheden aan te voeren die maken dat sluiting toch niet op zijn plaats is. De specialisten van Wille Donker advocaten kunnen u met deskundig advies daarbij assisteren.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Henk-Jan Ligtenberg, verbonden aan de praktijkgroep Overheid.

Wilt u op de hoogte blijven?

  • nl
  • en